Amsterdam groeide in de eerste decennia van de vorige eeuw snel. Er was een plan voor de stad nodig. Het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP, 1935) zorgde voor een slimme indeling van de stad, met veel aandacht voor groen. Het doel: elke Amsterdammer moest binnen tien minuten fietsen een groengebied kunnen bereiken. Tussen nieuwe wijken zoals de Westelijke Tuinsteden en Buitenveldert kwamen grote parklandschappen: de scheggen. Deze groene ‘vingers’ lopen diep de stad in en verbinden Amsterdam met het omliggende landschap. Ze zorgen voor frisse lucht, ruimte voor recreatie en een blijvende band tussen stad en natuur.
Wil je meer weten over het ontstaan van de scheggen van Amsterdam,
lees dan het uitgebreide artikel op Open Research
Groen in het AUP: waarom belangrijk?
In het AUP stond recreatie centraal. Mensen wilden na hun werk ontspannen in de natuur. Groen was daarom een van de pijlers van het plan. De scheggen maakten sport en spel in de buitenlucht toegankelijk voor iedereen. Ze waren niet alleen een stedenbouwkundige oplossing, maar ook een manier om gezondheid en natuurbeleving te combineren met stadsontwikkeling.
Dit ideaal is nog steeds actueel. In de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 staat dat de scheggen versterkt moeten worden. Ze moeten nog meer recreatieve waarde krijgen, biodiversiteit bevorderen en bodemdaling tegengaan.
Kernpunten:
Het AUP (1935) zorgde voor groene scheggen tussen wijken.
Elke Amsterdammer moest binnen tien minuten fietsen in het groen kunnen zijn.
De scheggen verbinden stad en landschap en zorgen voor frisse lucht en recreatie.
Het plan was gebaseerd op internationale ideeën over stedenbouw, natuurbeleving en gezondheid.
De acht scheggen hebben elk een eigen karakter en functie.
Groen blijft een belangrijk onderdeel van de stadsplanning, ook in de toekomst.
De scheggen van Amsterdam, schematisch weergegeven in het Manifest voor de Scheggen, opgesteld door ARCAM in 2019.
De scheggen van Amsterdam
Het AUP creëerde acht grote groene scheggen, elk met een eigen karakter:
Amstelscheg: Open weidelandschap langs de Amstel, herkenbaar door aansluiting op het grachtensysteem.
Westeinderscheg (Amsterdamse Bosscheg): Populair voor waterrecreatie, met het Amsterdamse Bos (6 miljoen bezoekers per jaar).
Haarlemmermeerpolder (Scheg van West): Begint fijnmazig in de stad en wordt weids en agrarisch naar het westen.
Brettenscheg: Wilde natuur van het Westerpark tot de duinen bij IJmuiden.
Zaanse Scheg: Historisch veenweidegebied met molens, kwetsbaar maar karakteristiek.
Waterlandscheg: Waterrijk gebied met sloten en plassen, belangrijk voor de stad.
Diemerscheg: Contrastrijk gebied met natuur en infrastructuur, van het Flevopark tot Muiden.
IJmeerscheg: De grootste scheg, volledig omgeven door water.
Het AUP: een nieuw model
In 1935 werd het AUP vastgesteld. Het plan brak met de oude manier van stadsuitbreiding (concentrisch, in cirkels). In plaats daarvan koos Amsterdam voor het vingerstadmodel: bebouwing langs assen met daartussen groene scheggen. Dit model was eerder succesvol in Berlijn en werd later ook in Kopenhagen toegepast.
Het AUP zag de stad als een organisch geheel. Groen moest op alle niveaus aanwezig zijn: van kleine plantsoenen tot grote parken en landschappen. De scheggen zorgden voor een goede verbinding tussen stad en natuur. Ze waren niet alleen mooi, maar ook functioneel: mensen konden er sporten, wandelen en ontspannen.
De Tuinen van West, onderdeel van de Scheg van West. (Foto: Edwin van Eis)
De groene kaart uit de Toelichting op het Amsterdams Uitbreidingsplan (1935), te vinden in het hoofdstuk over ontspanning en recreatie.
Grond en politiek
In 1921 annexeerde Amsterdam omliggende gemeenten zoals Sloten en de Watergraafsmeer. Het grondgebied werd vier keer zo groot. Er was behoefte aan een totaalplan voor de stad. De provincie Noord-Holland wilde voorkomen dat er te veel gebouwd werd in het groen rondom Amsterdam. Ze stelden regels op om belangrijke groengebieden te beschermen, zoals de Nieuwe Meer en het latere Amsterdamse Bos.
In 1926 maakte de gemeente een schemaplan voor Groot-Amsterdam, maar dit werd afgekeurd. Het was te vaag en te schematisch. Uiteindelijk richtte Amsterdam in 1928 een eigen afdeling Stadsontwikkeling op. Deze afdeling werkte aan een nieuw uitbreidingsplan, gebaseerd op onderzoek naar bevolking, economie en ruimtelijke mogelijkheden.
Stedenbouw: nieuwe ideeën
Begin twintigste eeuw was stedenbouw een nieuw vak. Er kwamen steeds meer ideeën over hoe steden beter konden worden ingericht. In 1924 organiseerde het Nederlandse Instituut voor Volkshuisvesting en Stedenbouw in Amsterdam een groot internationaal congres over stadsplanning. Experts uit 28 landen bespraken hoe steden konden groeien met groenontwerp in stadsplannen meegenomen.
Het Engelse tuinstadmodel (wijken met veel groen) werd besproken, maar dit was niet de perfecte oplossing voor Amsterdam. In Duitsland en de Verenigde Staten waren al richtlijnen voor parken en groen in steden. Deze ideeën inspireerden Amsterdam. Het congres zorgde voor een omslag: stedenbouw moest rekening houden met gezondheid, economie en sociale behoeften.
Op 1 januari 1921 annexeerde Amsterdam de gemeenten Nieuwendam, Ransdorp, Watergraafsmeer, Sloten en Buiksloot. Amsterdam, tot dan alleen het gele stuk op de kaart, kreeg nu alle gekleurde gebieden erbij.
Hoe ontstond het idee voor groen in de stad?
Aan het begin van de twintigste eeuw werd natuur steeds belangrijker. Jac. P. Thijsse, een bekende natuurbeschermer, pleitte voor toegankelijk groen voor iedereen. Rond 1900 waren er wel parken in Amsterdam (zoals het Vondelpark), maar die waren te klein en te ver weg voor veel inwoners.
De manier waarop mensen ontspanden, veranderde. Ze wilden niet enkel meer flaneren in parken, maar actief de natuur in. Wandelen, sporten en buiten zijn werden populair. Dit kwam door betere arbeidsomstandigheden, meer vrije tijd en meer en nieuwe vervoersmiddelen zoals de fiets en tram. Thijsse stelde voor om wandelroutes aan te leggen rondom Amsterdam, bijvoorbeeld langs de Amstel en de Nieuwe Meer. Zijn ideeën werden niet meteen uitgevoerd, maar inspireerden wel latere plannen, zoals het Amsterdamse Bos.