Wederopbouw na 1945

Na de bevrijding begint een nieuwe fase. De stad is beschadigd en verarmd, en de zorg moet opnieuw worden opgebouwd. Ambulances worden vervangen, laboratoria opnieuw ingericht en de medische zorg komt stap voor stap weer op gang.

‘Paarden-ambulance’ op de Dam in de optocht op de derde dag van de Bevrijdingsfeesten.

In 1945 opende op Zeeburg een sanatorium voor kinderen met tbc, later ook voor volwassenen. De volwassenenafdeling sloot in 1953, het kindersanatorium bleef tot 1956 open.

Na de bevrijding stond de GG&GD voor de enorme opgave om de zorg in een door oorlog en schaarste getroffen stad te herstellen.

Gedwongen samenwerking en morele dilemma’s

Niet alles in deze periode is eenduidig. De GG&GD wordt ook gedwongen samen te werken met de bezetter. Zo speelt de dienst een rol in administratieve processen die later bijdragen aan de deportatie van Joodse Amsterdammers. Medewerkers en leidinggevenden staan voor moeilijke keuzes: meewerken om zorg te kunnen blijven leveren, of weigeren met grote gevolgen. Deze spanning laat zien hoe ingewikkeld het was om in oorlogstijd ‘het juiste’ te doen.

Openlijk verzet

Sommige medewerkers gaan nog een stap verder. Robert Willem Douma (1918 – 1943), werkzaam bij de GG&GD, verspreidt illegale pamfletten. In 1943 wordt hij opgepakt door de Duitse bezetter en op 24-jarige leeftijd gefusilleerd op de Leusderheide.

In zijn afscheidsbrief schrijft hij: “Met trots kan ik zeggen dat we allen pal en onbevreesd stonden bij deze vreselijke boodschap.” Zijn dood maakt diepe indruk binnen de organisatie en laat zien dat het werk bij de GG&GD in de oorlogsjaren letterlijk levensgevaarlijk kon zijn.

Medische hulp onder extreme omstandigheden

Ondanks grote tekorten blijft de GG&GD zorg verlenen. Noodziekenhuizen worden ingericht, mensen worden geëvacueerd en slachtoffers van bombardementen krijgen medische hulp. Brandstof is schaars. Ambulances rijden op gas of worden, als er niets anders is, door paarden voortgetrokken. Toch blijven medewerkers de stad doorkruisen, soms met geïmproviseerde middelen. Hun uitgangspunt is eenvoudig en komt neer op: “Zorg moet doorgaan, ook als de omstandigheden dat bijna onmogelijk maken.”

Wetenschap als stil verzet

Ook het laboratoriumwerk gaat door, al is dat niet zonder risico.
Anna Charlotte Ruys (1898 -1977), hoofd van een GG&GD-laboratorium, gebruikt haar positie om mensen te beschermen. Zij weigert tyfusbacteriën te leveren voor plannen die bedoeld zijn om een epidemie te veroorzaken in een Joods kindertehuis. Tegelijkertijd verstrekt zij valse medische verklaringen aan studenten en arbeiders, zodat zij niet tewerkgesteld of gedeporteerd worden. In haar handelen laat zij zien dat wetenschap ook een morele kant heeft. “Kennis kan worden misbruikt, maar ook worden ingezet om levens te redden.”

Een stad in shock

Wanneer in mei 1940 de oorlog uitbreekt, verandert het werk van de Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst (GG&GD) van de ene op de andere dag. De stad raakt in shock. Medewerkers zien de angst en wanhoop van dichtbij. Kort na de Duitse inval treft een chauffeur in de Smaragdstraat een gezin aan dat uit angst en uitzichtloosheid een einde aan hun leven heeft gemaakt na een mislukte vluchtpoging. Het is een gebeurtenis die laat zien hoe diep de onzekerheid in de eerste oorlogsdagen zit.

Na de bloeiperiode van de jaren ‘30 komt de oorlog. De GG&GD biedt zorg en soms zelfs verzet, maar wordt door de bezetter ook tot samenwerking gedwongen.

1940 - 1950
De GGD in oorlogsjaren

Over deze tijdlijn

Na de bevrijding stond de GG&GD voor de enorme opgave om de zorg in een door oorlog en schaarste getroffen stad te herstellen.

Wederopbouw na 1945

Na de bevrijding begint een nieuwe fase. De stad is beschadigd en verarmd, en de zorg moet opnieuw worden opgebouwd. Ambulances worden vervangen, laboratoria opnieuw ingericht en de medische zorg komt stap voor stap weer op gang.

In 1945 opende op Zeeburg een sanatorium voor kinderen met tbc, later ook voor volwassenen. De volwassenenafdeling sloot in 1953, het kindersanatorium bleef tot 1956 open.

Gedwongen samenwerking en morele dilemma’s

Niet alles in deze periode is eenduidig. De GG&GD wordt ook gedwongen samen te werken met de bezetter. Zo speelt de dienst een rol in administratieve processen die later bijdragen aan de deportatie van Joodse Amsterdammers. Medewerkers en leiding-gevenden staan voor moeilijke keuzes: meewerken om zorg te kunnen blijven leveren, of weigeren met grote gevolgen. Deze spanning laat zien hoe ingewikkeld het was om in oorlogstijd ‘het juiste’ te doen.

Openlijk verzet

Sommige medewerkers gaan nog een stap verder. Robert Willem Douma (1918 – 1943), werkzaam bij de GG&GD, verspreidt illegale pamfletten. In 1943 wordt hij opgepakt door de Duitse bezetter en op 24-jarige leeftijd gefusilleerd op de Leusderheide.

In zijn afscheidsbrief schrijft hij: “Met trots kan ik zeggen dat we allen pal en onbevreesd stonden bij deze vreselijke boodschap.” Zijn dood maakt diepe indruk binnen de organisatie en laat zien dat het werk bij de GG&GD in de oorlogsjaren letterlijk levensgevaarlijk kon zijn.

Wetenschap als stil verzet

Ook het laboratoriumwerk gaat door, al is dat niet zonder risico. Anna Charlotte Ruys (1898 -1977), hoofd van een GG&GD-laboratorium, gebruikt haar positie om mensen te beschermen. Zij weigert tyfusbacteriën te leveren voor plannen die bedoeld zijn om een epidemie te veroorzaken in een Joods kindertehuis. Tegelijkertijd verstrekt zij valse medische verklaringen aan studenten en arbeiders, zodat zij niet tewerkgesteld of gedeporteerd worden. In haar handelen laat zij zien dat wetenschap ook een morele kant heeft. “Kennis kan worden misbruikt, maar ook worden ingezet om levens te redden.”

‘Paarden-ambulance’ op de Dam in de optocht op de derde dag van de Bevrijdingsfeesten.

Medische hulp onder extreme omstandigheden

Ondanks grote tekorten blijft de GG&GD zorg verlenen. Noodziekenhuizen worden ingericht, mensen worden geëvacueerd en slachtoffers van bombardementen krijgen medische hulp. Brandstof is schaars. Ambulances rijden op gas of worden, als er niets anders is, door paarden voort-getrokken. Toch blijven medewerkers de stad doorkruisen, soms met geïmproviseerde middelen. Hun uitgangspunt is eenvoudig en komt neer op: “Zorg moet doorgaan, ook als de omstandigheden dat bijna onmogelijk maken.”

Een stad in shock

Wanneer in mei 1940 de oorlog uitbreekt, verandert het werk van de Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst (GG&GD) van de ene op de andere dag.
De stad raakt in shock. Medewerkers zien
de angst en wanhoop van dichtbij. Kort na
de Duitse inval treft een chauffeur in de Smaragdstraat een gezin aan dat uit angst en uitzichtloosheid een einde aan hun leven heeft gemaakt na een mislukte vluchtpoging. Het is een gebeurtenis die laat zien hoe
diep de onzekerheid in de eerste oorlogsdagen zit.

Na de bloeiperiode van de jaren ‘30 komt de oorlog. De GG&GD biedt zorg en soms zelfs verzet, maar wordt door de bezetter ook tot samenwerking gedwongen.

1940 - 1950
De GGD in oorlogsjaren