1893-1923
Nieuwe taken, nieuwe groepen
In de jaren ‘60 groeit het takenpakket verder. In 1961 komt geriatrie erbij, gericht op de gezondheid van ouderen. Ook de jeugdgezondheidszorg wordt versterkt, met extra aandacht voor kinderen uit sociaal kwetsbare gezinnen.
Door de groei van de stad en toenemende internationale migratie krijgt de GG&GD vaker te maken met infectieziekten zoals tuberculose en hepatitis. Met screening, vroegsignalering en begeleiding probeert de dienst problemen vroeg te herkennen en verdere verspreiding te voorkomen.
Grote milieuzaken
Het belang van deze expertise wordt duidelijk bij grote milieudossiers. Zo onderzoeken GG&GD-artsen en deskundigen gezondheidsrisico’s rond de vervuiling van de Volgermeerpolder en het gifschandaal in Lekkerkerk rond 1980. Bewoners maken zich zorgen over hun gezondheid, en de GG&GD speelt een sleutelrol bij het duiden van risico’s en het adviseren van bestuur en bevolking.
Een arts uit die tijd verwoordt het later zo: “Mensen wilden vooral weten: is mijn huis veilig en wat betekent dit voor mijn gezin?”.
Anna Charlotte Ruys (links) als erepromotor van Frits Zernike, natuurkundige. (1953)
Schoolgeneeskunde.
Haven van Amsterdam, inspectie van vrachtschepen door een schip van de Afdeling Sanitaire Havendienst van de GG&GD
(foto: Dolf Toussaint).
Milieugezondheid krijgt vaste plek
Vanaf de jaren ’50 kijkt de GG&GD Amsterdam niet alleen naar infectieziekten, maar ook naar de invloed van de leefomgeving op gezondheid. Onderwerpen zoals luchtvervuiling, geluidsoverlast, vervuild water, bodemverontreiniging en later ook schimmel en asbest krijgen aandacht.
In 1952 richt de GG&GD een milieulaboratorium op om water- en luchtmonsters te onderzoeken. Deze stond waarschijnlijk onder leiding van Anna Charlotte Ruys (1898 -1977). Metingen in de buitenlucht worden sinds 1963 uitgevoerd. Het luchtmeetnet en het laboratorium werden in de jaren zeventig wordt het laboratorium ondergebracht bij het Gemeentelijk Centraal Milieu Laboratorium, later hernoemd naar Omegam, waarna het in 1998 weer terugkwam bij de GG&GD. De medische milieukunde blijft onderdeel van het werk van de GG&GD.
Vertrouwen winnen bij ouders
Een bijzonder moment is de start van de polio-inenting in 1957. Veel ouders zijn onzeker en bang voor bijwerkingen. Om dat vertrouwen te winnen, laat een arts van de GG&GD zijn eigen kinderen in het openbaar vaccineren. Het gebaar maakt indruk. Een collega vat het later samen als: “Als je ouders wilt overtuigen, moet je laten zien dat je het zelf ook vertrouwt”. De opkomst is hoog en de campagne wordt een succes.
Een gezondere stad
Vanaf het begin van de jaren ‘50 verandert de gezondheid van Amsterdammers snel. Infectieziekten die vroeger veel slachtoffers maakten, worden steeds beter voorkomen. De GG&GD Amsterdam start in 1953 met grootschalige vaccinaties: eerst tegen difterie, daarna tegen kinkhoest en tetanus (1954) en polio (vanaf 1957). Daarnaast start in 1974 de hielprikscreening voor pasgeborenen om ernstige, zeldzame aangeboren ziekten vroegtijdig op te sporen. Het effect is groot. Ziekten die jarenlang angst opriepen, verdwijnen steeds meer uit het straatbeeld.
Het tijdperk van de infectieziektenbestrijding, met vaccinaties en hielprik. Maar ook de invloed van de omgeving op gezondheid krijgt aandacht.
Vorige pagina
Volgende pagina
Over deze tijdlijn
Anna Charlotte Ruys (links) als erepromotor van Frits Zernike, natuurkundige. (1953)
Nieuwe taken, nieuwe groepen
In de jaren ‘60 groeit het takenpakket verder. In 1961 komt geriatrie erbij, gericht op de gezondheid van ouderen. Ook de jeugdgezondheidszorg wordt versterkt, met extra aandacht voor kinderen uit sociaal kwetsbare gezinnen.
Door de groei van de stad en toenemende internationale migratie krijgt de GG&GD vaker te maken met infectieziekten zoals tuberculose en hepatitis. Met screening, vroegsignalering en begeleiding probeert de dienst problemen vroeg te herkennen en verdere verspreiding te voorkomen.
Grote milieuzaken
Het belang van deze expertise wordt duidelijk bij grote milieudossiers. Zo onderzoeken GG&GD-artsen en deskundigen gezondheidsrisico’s rond de vervuiling van de Volgermeerpolder en het gifschandaal in Lekkerkerk rond 1980. Bewoners maken zich zorgen over hun gezondheid, en de GG&GD speelt een sleutelrol bij het duiden van risico’s en het adviseren van bestuur en bevolking.
Een arts uit die tijd verwoordt het later zo: “Mensen wilden vooral weten: is mijn huis veilig en wat betekent dit voor mijn gezin?”.
Haven van Amsterdam, inspectie van vrachtschepen door een schip van de Afdeling Sanitaire Havendienst van de GG&GD
(foto: Dolf Toussaint).
Schoolgeneeskunde.
Milieugezondheid krijgt vaste plek
Vanaf de jaren ’50 kijkt de GG&GD Amsterdam niet alleen naar infectieziekten, maar ook naar de invloed van de leefomgeving op gezondheid. Onderwerpen zoals luchtvervuiling, geluidsoverlast, vervuild water, bodemverontreiniging en later ook schimmel en asbest krijgen aandacht.
In 1952 richt de GG&GD een milieulaboratorium op om water- en luchtmonsters te onderzoeken. Deze stond waarschijnlijk onder leiding van Anna Charlotte Ruys (1898 -1977). Metingen in de buitenlucht worden sinds 1963 uitgevoerd. Het luchtmeetnet en het laboratorium werden in de jaren zeventig wordt het laboratorium ondergebracht bij het Gemeentelijk Centraal Milieu Laboratorium, later hernoemd naar Omegam, waarna het in 1998 weer terugkwam bij de GG&GD. De medische milieukunde blijft onderdeel van het werk van de GG&GD.
Vertrouwen winnen bij ouders
Een bijzonder moment is de start van de polio-inenting in 1957. Veel ouders zijn onzeker en bang voor bijwerkingen. Om dat vertrouwen te winnen, laat een arts van de GG&GD zijn eigen kinderen in het openbaar vaccineren. Het gebaar maakt indruk. Een collega vat het later samen als: “Als je ouders wilt overtuigen, moet je laten zien dat je het zelf ook vertrouwt”. De opkomst is hoog en de campagne wordt een succes.
Een gezondere stad
Vanaf het begin van de jaren ‘50 verandert de gezondheid van Amsterdammers snel. Infectieziekten die vroeger veel slachtoffers maakten, worden steeds beter voorkomen. De GG&GD Amsterdam start in 1953 met grootschalige vaccinaties: eerst tegen difterie, daarna tegen kinkhoest en tetanus (1954) en polio (vanaf 1957). Daarnaast start in 1974 de hielprikscreening voor pasgeborenen om ernstige, zeldzame aangeboren ziekten vroegtijdig op te sporen. Het effect is groot. Ziekten die jarenlang angst opriepen, verdwijnen steeds meer uit het straatbeeld.
Het tijdperk van de infectieziektenbestrijding, met vaccinaties en hielprik. Maar ook de invloed van de omgeving op gezondheid krijgt aandacht.