Jublieumlogo ggd amsterdam 125 jaar

1893 - 1923

Van ziekmakende stad naar kennis over gezondheid

Aan het einde van de negentiende eeuw was Amsterdam een vieze en ongezonde stad. De stad groeide snel, maar goede leefomstandigheden bleven achter. Veel mensen woonden dicht op elkaar, in kleine huizen zonder riolering of schoon drinkwater. Afval en ontlasting werden opgevangen in tonnen in huis. Ziekten zoals cholera, tyfus en tuberculose kwamen vaak voor. Bijna 1 op de 4 kinderen overleed in het eerste levensjaar. Mensen werden gemiddeld niet ouder dan 40 jaar.

Rond 1900 waren de hygiëne en volks-gezondheid slecht. De gemeente richtte daarom 2 diensten op. In 1923 fuseerden deze, met de GG&GD als resultaat.

Artsen gingen de stad in

In deze barre omstandigheden ontstond een nieuw idee: gezondheid is niet alleen een privézaak, maar ook een taak van de overheid. Artsen als Samuel Sarphati (1813-1866), Jacobus Penn (1821 – 1890) en Catharine van Tussenbroek (1852 – 1925) zagen dat mensen niet ziek werden door pech, maar door hun leefomgeving. Sarphati schreef al in de 19e eeuw: “Een stad die haar riolering en drinkwater verwaarloost, maakt haar eigen inwoners ziek”. Penn gebruikte cijfers over ziekte en sterfte om de gemeente te overtuigen van maatregelen. Van Tussenbroek pleitte voor betere zorg voor moeders en baby’s. Hun manier van kijken, legde de basis voor wat later GGD Amsterdam werd.

Het gasthuiskarretje stond bij het politiebureau. Moest een patiënt bij ziekte of ongeval naar een ziekenhuis worden vervoerd dan haalde een kruier het karretje op en ging vergezeld van een agent de patiënt ophalen en wegbrengen.

Begin 1900 controleerde de Gezondheidsdienst intensief etenswaren en melk, waaronder melk van veehouders aan de Zeeburgerdijk en Amstelveenseweg. Proeven was onderdeel van de keuring.

Verkopers gebruikten de melkkeuring als reclame met de tekst: ‘gekeurd door de Gezondheidsdienst’ en verkochten kiemvrije melk.

1893: Melk keuren op de markt

In 1893 richtte de gemeente Amsterdam de Gemeentelijke Gezondheidsdienst op. De dienst hield toezicht op hygiëne en voedsel. Melk kreeg daarbij extra aandacht. Het was belangrijk voor kinderen, maar vaak besmet met allerlei bacteriën.

Inspecteurs controleerden melk op de markt en bij melkboeren. Voor het eerst gebeurde dat op een wetenschappelijke manier. Ze gebruikten daarbij hun zintuigen: kijken, ruiken en soms zelfs proeven. Melk die werd goedgekeurd, kreeg een bordje met de tekst ‘Gekeurd door de gezondheidsdienst.’

1901: zorg en voorkomen

In 1901 kwam daar de Geneeskundige Dienst bij. Deze dienst gaf gratis medische zorg aan arme inwoners en werkte tegelijk aan het voorkomen van ziekten. Mensen konden terecht in eenvoudige spreekkamers, de zogenoemde zittingslokalen. Al snel werd duidelijk dat goede zorg alleen niet genoeg was. In 1903 startte de zorg voor baby’s tot 1 jaar, om kindersterfte te verminderen. Daarna volgden de schoolarts en een eerstehulpdienst. Artsen en verpleegkundigen hielden bij hoeveel mensen zij zagen en met welke klachten. Zo ontstond langzaam maar zeker een vaste manier van werken met cijfers en observaties: het begin van onderzoek bij de GGD.

Geneeskundig schoolonderzoek zoals uitgevoerd in 1907.

De wachtkamer voor het consultatiebureau in het hoofdgebouw.

1923: Eén dienst, één aanpak

In 1923 werden de Geneeskundige Dienst en de Gezondheidsdienst samengevoegd tot de Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst (GG&GD). Zorg, toezicht en onderzoek kwamen samen in één organisatie. De aandacht verschoof steeds meer naar het voorkomen van ziekte en het verbeteren van de leefomgeving.

De organisatie groeide snel. In 1903 werkten er 63 mensen bij de dienst. In 1924 waren dat er al ongeveer 550. Amsterdam werd een voorbeeld voor andere steden. Gezondheid werd niet langer alleen behandeld in de spreekkamer, maar ook onderzocht in de stad zelf.

Arts in laboratorium met microscoop.

1893 - 1923

Van ziekmakende stad naar kennis over gezondheid

Rond 1900 waren de hygiëne en volksgezondheid slecht. De gemeente richtte daarom 2 diensten op. In 1923 fuseerden deze, met de GG&GD als resultaat.

Aan het einde van de negentiende eeuw was Amsterdam een vieze en ongezonde stad. De stad groeide snel, maar goede leefomstandig-heden bleven achter. Veel mensen woonden dicht op elkaar, in kleine huizen zonder riolering of schoon drinkwater. Afval en ontlasting werden opgevangen in tonnen in huis. Ziekten zoals cholera, tyfus en tuberculose kwamen vaak voor. Bijna 1 op de 4 kinderen overleed in het eerste levensjaar. Mensen werden gemiddeld niet ouder dan 40 jaar.

Artsen gingen de stad in

In deze barre omstandigheden ontstond een nieuw idee: gezondheid is niet alleen een privézaak, maar ook een taak van de overheid. Artsen als Samuel Sarphati (1813-1866), Jacobus Penn (1821 – 1890) en Catharine van Tussenbroek (1852 – 1925) zagen dat mensen niet ziek werden door pech, maar door hun leefomgeving. Sarphati schreef al in de 19e eeuw: “Een stad die haar riolering en drinkwater verwaarloost, maakt haar eigen inwoners ziek”. Penn gebruikte cijfers over ziekte en sterfte om de gemeente te overtuigen van maatregelen. Van Tussenbroek pleitte voor betere zorg voor moeders en baby’s. Hun manier van kijken, legde de basis voor wat later GGD Amsterdam werd.

Het gasthuiskarretje stond bij het politiebureau. Moest een patiënt bij ziekte of ongeval naar een ziekenhuis worden vervoerd dan haalde een kruier het karretje op en ging vergezeld van een agent de patiënt ophalen en wegbrengen.

Begin 1900 controleerde de Gezondheidsdienst intensief etenswaren en melk, waaronder melk van veehouders aan de Zeeburgerdijk en Amstelveenseweg. Proeven was onderdeel van de keuring.

Verkopers gebruikten de melkkeuring als reclame met de tekst: ‘gekeurd door de Gezondheidsdienst’ en verkochten kiemvrije melk.

1893: Melk keuren op de markt

In 1893 richtte de gemeente Amsterdam de Gemeentelijke Gezondheidsdienst op. De dienst hield toezicht op hygiëne en voedsel. Melk kreeg daarbij extra aandacht. Het was belangrijk voor kinderen, maar vaak besmet met allerlei bacteriën.

Inspecteurs controleerden melk op de markt en bij melkboeren. Voor het eerst gebeurde dat op een wetenschappelijke manier. Ze gebruikten daarbij hun zintuigen: kijken, ruiken en soms zelfs proeven. Melk die werd goedgekeurd, kreeg een bordje met de tekst ‘Gekeurd door de gezondheidsdienst.’

1901: zorg en voorkomen

In 1901 kwam daar de Geneeskundige Dienst bij. Deze dienst gaf gratis medische zorg aan arme inwoners en werkte tegelijk aan het voorkomen van ziekten. Mensen konden terecht in eenvoudige spreek-kamers, de zogenoemde zittingslokalen. Al snel werd duidelijk dat goede zorg alleen niet genoeg was. In 1903 startte de zorg voor baby’s tot 1 jaar, om kindersterfte te verminderen. Daarna volgden de schoolarts en een eerstehulpdienst. Artsen en verpleegkundigen hielden bij hoeveel mensen zij zagen en met welke klachten. Zo ontstond langzaam maar zeker een vaste manier van werken met cijfers en observaties: het begin van onderzoek bij de GGD.

Geneeskundig schoolonderzoek zoals uitgevoerd in 1907.

De wachtkamer voor het consultatiebureau in het hoofdgebouw.

1923: Eén dienst, één aanpak

In 1923 werden de Geneeskundige Dienst en de Gezondheidsdienst samengevoegd tot de Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst (GG&GD). Zorg, toezicht en onderzoek kwamen samen in één organisatie. De aandacht verschoof steeds meer naar het voorkomen van ziekte en het verbeteren van de leefomgeving.

De organisatie groeide snel. In 1903 werkten er 63 mensen bij de dienst. In 1924 waren dat er al ongeveer 550. Amsterdam werd een voorbeeld voor andere steden. Gezondheid werd niet langer alleen behandeld in de spreekkamer, maar ook onderzocht in de stad zelf.

Arts in laboratorium met microscoop.